Mensen zeggen weleens: ‘Ik ben een boon als…’  Die mensen weten niet wat ze zeggen. Ik wel, want ik ben zelf een boon. Een koffieboon, om precies te zijn, en ik zou willen dat ik een mens was. Hoewel, dan had ik dit nooit meegemaakt… Maar laat ik bij het begin beginnen.
Zoals al het leven op aarde, ben ik begonnen als een heel klein boontje. Ik groeide op in een machtig mooi woud ergens in Colombia. Vooral als het net geregend had, waren de met bomen gevulde heuvels in een mist gehuld die ze een bovenaardse schoonheid verleende. Maar u zult zich afvragen hoe ik dit weet, ik ben immers slechts een boon.
Welnu, al spoedig bemerkte ik dat ik geen gewone boon was. Door een speling van de natuur werd ik begiftigd met verstand en bewustzijn. Natuurlijk ging ik ervan uit dat dit de normaalste zaak van de wereld was, maar toen ik gesprekken trachtte aan te knopen met mijn collega-bonen werd al spoedig duidelijk dat zij mijn gave niet deelden. Ik was een bijzondere boon.
Ik liet het leven mij goed smaken, ik genoot van elke zonsopkomst, en vond het iedere keer weer jammer als die koperen schijf aan de hemel zich met een vaart achter de horizon liet vallen. Heel anders was het met Fabio, die ik op een bijzonder hete zomerdag voor het eerst zag. Hij vervloekte de hete zon, die hem het werk bijna onmogelijk maakte.
Ach ja, het werk… Fabio was een soort beul, althans, zo begreep ik zijn werkzaamheden. Hij verwijderde alle koffiebonen uit hun gelukzalige toestand aan de bomen in het goddelijke Colombiaanse landschap, om ze vervolgens genadeloos op te stapelen in een stoffige oude mand. Op een dag, toen hij bij mijn boom was aanbeland, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken – figuurlijk natuurlijk, ik zou niet eens weten hoe een boon zich in één schoen moest hullen, laat staan meerdere. Ik vroeg hem waarom hij toch altijd zo neerslachtig was en almaar op de zon vloekte.
‘Ach, boon,’ zei Fabio, nadat hij zich knetterhard in de arm had geknepen om zich ervan te verzekeren dat hij echt met een sprekende boon van doen had, ‘het is verschrikkelijk. Kijk.’
Fabio graaide in de zak van zijn versleten spijkerbroek, en haalde een gerafelde foto voor de dag. Een blond meisje stond erop afgebeeld, naast een jonge en vrolijke versie van de bonenplukker die voor me stond.
‘Leuk meisje,’ zei ik.
Fabio zuchtte. ‘Weet je, boon… ik mis haar zo,’ en op zijn barse gelaat verscheen een traan, waardoor de zonnehater zowaar een ontroerende aanblik kreeg.
‘Vertel,’ spoorde ik hem aan.
‘Deze foto is tien jaar geleden genomen, op de heetste dag van het jaar. De zon scheen zoals ze nog nooit had gedaan. Mensen vielen flauw, maar ons kon het niet deren. We waren verliefd, verliefd! Maar ze ging weer weg, terug… naar Nederland.’
‘Vakantieliefde?’
‘Nee!’ Fabio keek me verontwaardigd aan. ‘Veel meer dan dat. Veel meer. Het was een diepe band, een connectie zoals, zoals…’
‘Zoals de zon met de aarde heeft?’
Fabio keek even naar de zon, en boog zijn hoofd. ‘Ja,’ fluisterde hij. ‘Maar het is voorbij. Het komt nooit meer terug.’ Een druppel flonkerde in zijn ooghoek. ‘Maar kom.’ Even snel als de emotie op zijn gelaat was verschenen, verdween deze weer, als sneeuw voor de zon. Met een vlugge beweging plukte hij me ongenadig uit mijn lieve boom en wierp me tussen de andere bonen, met wie ik me hoe langer hoe minder verbonden begon te voelen. Uiteindelijk viel ik, van pure verveling, in een diepe slaap.   Ik moet nogal lang geslapen hebben, want ik werd opgeschrikt door een hels kabaal – ik was beland in een fabriek, en de mensen spraken een raar taaltje. Niet zoals dat Spaans in Colombia, dat van je tong af rolt, nee, deze mensen leken bij iedere klank hele lagen weefsel van hun keel af te schrapen.
Helaas bleef het niet bij zelfkastijding, deze mensen waren ook heftig tegen de koffieboon gekeerd. Ik zag hoe ze hele zakken met bonen in enorme machines goten, waarin ze werden geroosterd, om vervolgens verpulverd te worden tot een onooglijk bruin poeder. Toen ze mijn zak grepen, gilde ik – had ik longen gehad, dan zou ik ze op dat moment zijn kwijtgespeeld – maar het mocht niet baten. Door het lawaai in de fabriek werd mijn noodkreet niet gehoord, en ook ik moest eraan geloven.
Ik weet niet of u wel eens bent blootgesteld aan een temperatuur van om en nabij de 500 graden, maar ik kan u vertellen: dat is beslist geen prettige ervaring. Het ergste moest echter nog komen: het vermalen tot poeder. Ik dacht dat het heen en weer schudden nooit zou stoppen, en al die tijd voelde ik mezelf uiteenvallen. Tot overmaat van ramp bemerkte ik dat ik ook nog stom was geworden. Dat wil zeggen, mijn intelligentie had gelukkig niet geleden onder al dat geweld, maar ik kon niet meer spreken. Een schrale troost was dat mijn gedesintegreerde ik in één enkel pakje terecht kwam, zodat het splijten van mijn persoonlijkheid geen al te ernstige vormen aannam.
En toen ging het pakje dicht. Een grote stamper drukte mij en mijn lotgenoten, die geen benul hadden van wat ik in mijn bovennatuurlijke bewustzijn had meegemaakt, stijf tegen elkaar. Een lange periode van duisternis begon.  Ik zou helemaal gek zijn geworden, als ik niet het geluk had gehad dat mijn pakje koffie al snel werd gekocht, en wel door iemand die bijzonder veel trek had in koffie, want al een uurtje nadat ik over de lopende band gleed, zag ik weer licht. Eindelijk, dat heerlijke zonlicht, dat scheen door een gezellige keuken, met veel kant, en servies dat bedrukt was met roze en blauwe bloemetjes. Als koffieboon let je op dat soort dingen.
Toen ik het water hoorde pruttelen kreeg ik al een zeker vermoeden. Ja hoor, het was weer zover, ik kreeg weer de een of andere marteling te verduren. Gelukkig was dit water niet zo heet als die vlammen in de fabriek, maar toch, prettig was anders. Daarbij voelde ik me ook nog eens vloeibaar worden, dat kon er ook nog wel bij. Maar ach, het was hier in ieder geval gezellig.  En toen werd ik ingeschonken. In een sierlijke boog gleed ik door de lucht, ik voelde hoe het zonlicht mij streelde. Wat een heerlijke ogenblikken waren dat! Toen ik eenmaal tot bedaren was gekomen, zag ik dat ik in zo’n mooi bloemetjeskopje rondzwom. Ik keek eens omhoog, en ik sprong bijna uit het kopje van stomme verbazing. Het meisje van de foto! Iets ouder geworden, dat wel ja, maar ze was het, onmiskenbaar.  Ik wilde het uitschreeuwen. Hé! Hé jij daar! Je moet terug naar Fabio, want hij mist je zo! Maar het ging niet. Hoe ik ook probeerde, er kwam geen geluid. De vrouw nam een slok, en ik berustte in mijn lot. Ik keek nog eenmaal omhoog, recht in de ogen van de vrouw, die door het zonlicht nog blauwer leken. Ze keek recht in de zon, en een weemoedige glimlach verscheen op haar gezicht. Alleen ik wist waaraan ze dacht.
 

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen

Volg ons op Twitter
twitter
Welke Nespresso grand cru vind jij het lekkerst?
 
logo-wellnessbungalow
logo-damespraatjes