‘Koffie?’ Frits wekt me uit mijn dagdroom. Zo moet ik hem noemen. Frits. Niet ‘meneer Wesselink’, of ‘u’, we zijn tenslotte bijna familie. Van de zenuwen zeg ik ja. Maar ik lust helemaal geen koffie. Alleen chocoladekoffie, met veel suiker, dat gaat nog wel. Ik denk niet dat Frits chocoladekoffie in huis heeft. Frits heeft lp’s uit 1964. En een dode plant in de vensterbank.
Het is een vreemde manier om kennis te maken met je aanstaande schoonvader. In zes jaar tijd is hij bijna niet ter sprake gekomen. De laatste zeldzame keer was naar aanleiding van de tafelschikking. Tim wil zijn vader niet uitnodigen. Nou ja, Tim’s moeder wil hem niet uitnodigen. En Tim’s moeder wordt niet tegengesproken, op straffe van jarenlange schaars bedekte venijnigheid. Ik vraag me af of Tim alles ook van haar zou pikken als we niet zaten te wachten op een flinke erfenis.
Maar mij zit het niet lekker. Tim is een familieman. Hij laat nooit veel los over zijn vader, maar ik denk dat hij hem er diep in zijn hart bij wil hebben. Dus daar zit ik dan. Zonder bloemen, zonder Caroline Tensen. Ik had bloemen mee moeten nemen.
Frits staat in de keuken en begint koffie in het filter te scheppen. Kan ik nog zeggen dat ik liever thee wil? Maar hij klapt het apparaat al dicht en drukt op de knop. Er zat dus nog water in. Misschien wel van gisteren. Of misschien ververst hij het nooit, en vult hij het alleen maar bij. Misschien is het knalgroen van de algen. Algenkoffie.
‘Suiker?’ roept Frits opgewekt. Welja.
‘Ook een sprits erbij?’
Frits, sprits. Dat rijmt. Een giechel ontsnapt uit mijn keel. Slechte humor. Ik ben echt zenuwachtig.
‘Wat zei je, pop?’
‘Uhm… ja, graag. Een sprits. Frits.’
O God.
Ik had me hem gewoon heel anders voorgesteld. Die paar momenten dat hij ter sprake kwam trok mijn schoonmoeder wit weg. Eén keer toen Tim Fifi, de hond naar buiten had gelaten terwijl de tuinsproeier aan stond, beet ze hem toe: ‘Je lijkt je vader wel’. Toen hoefden we twee weken niet op bezoek. Twee heerlijke, stressvrije weken.
Ik had me een gemeen mannetje voorgesteld, met een hitlersnor. Maar Frits draagt een sierlijk gebloemd dienblaadje met twee kopjes koffie in zijn grote eeltige handen. Hij lijkt een grote olifant in een porseleinkast, en ik moet op mijn lip bijten om niet weer te giechelen.
‘Wat vind je van je aanstaande schoonmoeder?’ vraagt Frits dan ineens, terwijl hij de kopjes verassend beheerst op tafel zet. Dat is wel heel direct. Ik weet niet wat ik moet zeggen.
‘Ja… wel aardig, hoor’, stamel ik.
‘Hm’ zegt hij, en kijkt me vragend aan.
‘Ja… gewoon. Aardig. Ze is… best aardig.’
O God, red me.
‘Dus je mag haar niet.’
Ik verschiet van kleur. Frits kijkt me strak aan, en dan barst hij uit in een bulderende lach.
‘Da’s oke hoor mop, het is een sekreet. Een sekreet zeg ik je! Waarom denk je dat ik van dr af ben gegaan? Dat mens leeft om anderen het leven zuur te maken. Heeft ze die Fifi nog? Dat vuile duivelsgedrocht? Het is haar stille handlanger, ik zeg het je. Die zitten ’s nachts samen in een ketel te roeren. En te keffen. Ze moesten haar opsluiten, die vrouw. Met dr kapsones.’
Ik heb het opeens heel warm. Bijtend op mijn lip staar ik in mijn koffie. Ik probeer een patroon te ontdekken in de belletjes aan de zijkant van de mok.
‘En dr kuttenlikkende poedel.’
En dan houd ik het niet meer. Ik wil het niet, maar ik moet vreselijk hard lachen. Om lompe Frits, die ik nu moet vragen om naar de bruiloft te komen en tegenover zijn aartsvijand aan tafel plaats te nemen. Met Fifi de helhond als bonus onder het tafelkleed.
‘Vertel me één ding, dan laten we het rusten’, zegt Frits. Wat haat jij nou het meest aan haar?’
Tja, wat haat ik nou het meest? Haar verplichte griesmeelpudding met klonten waar we geen nee tegen durven zeggen. Want daar is haar zoon toch maar mooi groot mee geworden. Hoe ze afkeurend kan doen over mijn huis, mijn kleding, mijn leven. Al die verloren zondagen… Haar wekelijkse ongegeneerde vraag wanneer er kleinkinderen komen. Daar kunnen we best al ‘aan beginnen’, omdat we nu toch gaan trouwen. Weet zij veel dat we het al drie jaar zonder succes proberen. Ik kan die vrouw wel wurgen.
‘Ik weet niet waar ik moet beginnen’ zeg ik eerlijk. En voor ik het weet, is de conversatie verhit en de koffie koud.
‘Ik mag jou wel, pop. Ik maak een nieuw bakkie voor je en dan moet je effe goed luisteren’. Frits komt al snel terug met een nieuwe mok koffie. Hij duwt ‘m in mijn handen. Ik ontkom er niet aan, dus ik nip maar wat voor de vorm. Bah.
‘Die bruiloft dus… Meissie, ik kom hoor.’
Goh, ik had niet gedacht dat het zo gemakkelijk zou gaan.
‘Ik was het al van plan’ zegt Frits, terwijl hij mij samenzweerderig aankijkt. Ik begrijp hem even niet.
‘Ja, ik wist het al lang hoor. Je aanstaande is al langsgeweest. Of ik weg wou blijven. Terwijl m’n zoon gaat trouwen! M’n kleine Timmie, trouwen! En met zo’n wereldwijf nog wel!’
O jee.
‘Ja pop, kijk’, vervolgt Frits. ‘Jullie weten niet dat ik kom. Ik ben, zeg maar, de grote verassing. Het is ons geheimpie hoor. Je moet nog wel even oefenen met verbaasd kijken meissie.’
Volgens mij kijk ik momenteel redelijk verbaasd.
‘Ja, zo ongeveer’, vervolgt Frits. ‘Ik kom na het eten effe aanwippen, als iedereen aan de koffie zit. Wees niet bang mop, ik zal geen scene schoppen hoor. Kijk, het mooie van zo’n feessie is: iedereen heb het druk met jou. Jij ben de bruid. Niemand heb t door als ik wat in dr koffie strooi. Met een goed sterk bakkie proef je niks. Het is goed spul hoor. Gaan ze eerst rustig van pitten. Dus als het monster onder zeil is leggen we dr boven op bed en dan heb iedereen t morgen pas door. Het is wel jouw dag hè.’
Wat zegt hij nou?
‘Wil je… Fifi vergiftigen?’ stamel ik.
‘Niet het hondje, mop… het baasje’, zegt Frits triomfantelijk. ‘Wat kost dat wel niet, zo’n bruiloft?’ vervolgt hij bloedserieus.
Die man is knettergek. Ik moet hier snel weg. Ik giet mijn koffie in één teug naar binnen. Getver. Dan bedenk ik me dat Frits het blijkbaar heel normaal vindt om er gif doorheen te roeren. Ik hoop dat ik het politiebureau nog haal.
‘Nou, tot op de bruiloft dan maar…’ pers ik er zo normaal mogelijk uit bij de deur. Frits knipoogt naar me. ‘Wees gerust meissie. Jij bent hier nooit geweest’ fluistert hij, voordat ik er vandoor spurt.
Terwijl ik me haastig de tram in worstel, piept mijn telefoon. Een sms, van de heks in hoogsteigen persoon. Ze moest eens weten. ‘Toch voor de koffieschuimtaart gegaan. Familie is er dol op.’ Mijn bruidstaart! Dan kan ze ineens wel smsen.
Als ik nog naar het politiebureau wil, moet ik er hier uit. Weet je wat… ik blijf zitten. Ik lust verdomme geen koffie.


